Gelukszoeker
Voor schrijfwedstrijden probeer ik vaker fictie te schrijven. Hieronder het stuk: Gelukszoeker. Past helemaal bij de vibe van The Art of Inefficiency.
Oh, en ik heb het voor de verandering ook ingesproken. Geinig om te doen.
Benieuwd wat jullie er van vinden.
In gehaaste stappen volg ik het Grijze Pak dat mij de gang door vooruitsnelt. Mijn ademhaling zit in een onnatuurlijk snel ritme. Waarom moest je vandaag per se een roze T-shirt en spijkerbroek aantrekken? En die ketting: gelukszoeker. Clichématig. Ik druk de gedachten weg en haast me hem achterna. De wit- en groentegels flitsen onder ons door. Het valt me op dat het Grijze Pak telkens precies in het midden van een tegel stapt. Om de andere stap maakt hij een klein hupsje om in het ritme te blijven. Keurig binnen de lijnen.
We komen bij een kamer. Zijn kamer. De grote eikenhouten deur duwt hij achter me dicht. Niet helemaal. Hij blijft op een kier hangen. Alsof hij me de mogelijkheid biedt om weg te gaan. Te vluchten. Het Grijze Pak stelt zich voor. We maken voor het eerst oogcontact. Zijn ogen staan koud, maar minder fel dan zijn gehaaste tred deed vermoeden. “Ik ben het Grijze Pak” zegt hij. “Maar vanaf nu noem je mij de opdrachtgever.” Zijn stem is monotoon. “En jij, Hugo, jij bent vanaf nu de opdrachtnemer.”
De opdrachtgever steekt van wal. “Goed dat je er bent. Belangrijk ook. Je beseft het nog niet, maar wij kunnen samen groot worden. De wereld op zijn kop. Die kathedraal waar je over schrijft? Die bouw je straks na met bankbiljetten van vijfhonderd. Stapel na stapel. Pilaren van geld, als de Sixtijnse Kapel. Misschien maak je met muntgeld wel een mozaïek dat het plafond van Leonardo da Vinci evenaart.”
“Michelangelo,” zegt de opdrachtnemer droog. Da Vinci was briljant, uiteraard. Onder andere Het Laatste Avondmaal en de Mona Lisa…”
“Potayto, potahto” zegt de opdrachtgever geïrriteerd. “Het is een metafoor. Zie mij als de paus, jou als de kunstenaar. We gaan kathedralen bouwen. Van geld. Maar goed, ik loop te hard van stapel. Je elevator pitch. Gooi ’m erin. Daarna richten we ons op het belangrijkste: hoe we dit gaan realiseren.”
De opdrachtnemer aarzelt. “Ik ben ervan overtuigd dat mensen steeds verder losraken van het geheel. Het universum, om het zo te zeggen. Door de Ik centraal te zetten, en door de maakbaarheidsgedachte onder de wurggreep van het kapitalisme, zijn we autonome computers geworden. We geloven dat alles te danken of te wijten is aan onszelf. We leven volgens planning en to-do-lijstjes. We gaan alleen maar vriendschappen aan als ze nut hebben. En…”
“Heerlijk.” onderbreekt de opdrachtgever. “Dit sluit perfect aan op de tijdsgeest. Die zoektocht naar betekenis verkoopt. We hebben al stapels zingevingstrajecten gedraaid. Boeken. Poëzie. Vooral dat laatste werkt. Alsof rijm woorden meer waarde geeft. Maar goed. Dit kan een hit worden. Hoe ver ben je? Liggen er al producten?”
Hij wiebelt ongeduldig op zijn stoel. Wanneer de opdrachtnemer blijft zwijgen, opent hij in één soepele beweging de lade van zijn bureau en tovert er een klikker uit. Met een triomfantelijke glimlach klikt hij twee schermen aan die als een soort placemat in het bureaublad zijn verwerkt. De eerste slide verschijnt. Strakke lettertypes. Veel witruimte. Een stockfoto van een persoon op een klif, armen gespreid in de ondergaande zon. Hij klikt door. Groeicurves. Distributiekanalen. Een funnel met daarboven: Van Zoektocht naar Conversie.
Dan blijft hij hangen bij de laatste slide: een taartdiagram. Het laat zien dat existentiële onrust bovengemiddeld scoort onder 25- tot 35-jarigen. Een pijltje wijst naar een vetgedrukte zin: Hoog conversiepotentieel bij lichte identiteitscrisis. Hij tikt met de klikker tegen het scherm. “Zie je? Een gat in de markt. Deze doelgroep staat open voor zingeving. Je hoeft alleen maar jouw producten in te voegen.”
De opdrachtnemer kijkt op van de oplichtende slides en geeft stoïcijns antwoord: “Ik wil juist zeggen dat het zaak is los te komen van het ego. Van lusten, verlangens, voorkeuren. Niet het zoeken naar zingeving, maar het loslaten ervan. Zien dat het idee van een vaste “ik” een constructie is. In het boeddhisme heet dat anatta: niet-zelf. Het besef dat het verhaal dat je over jezelf vertelt niet het middelpunt van het universum is.”
“Dus je verkoopt identiteitsverlies? Deze maatschappij draait op identiteit.”
“Ik verkoop niets. Ik sta hier nog steeds te pitchen. Wat gebeurt er als je stopt met optimaliseren wie je denkt te zijn? Bij bijna-doodervaringen beschrijven mensen soms een grenzeloosheid. Geen binnen of buiten. Geen ik en ander. Het brein kan het idee van een zelf laten oplossen. Het “ik” is minder solide dan we denken. Zoals David Hume al schreef: geen stabiel zelf, slechts een bundel indrukken.”
“Je hoeft geen legertje filosofen op te trommelen”, zegt de opdrachtgever. “Zonder vorm verdampt elk idee. We moeten dit verkopen. Een rake boodschap. Een strategie. Mijn assistent bouwt al een draaitabel in Excel. Gefaseerde lancering. Gedichten. Snippets. Slam poetry.”
“Een Excel. Een mal. Een planning. Om grenzeloosheid te beschrijven”, mompelt de opdrachtnemer. “Je mist de kern. Je schuurt langs het oppervlak.”
“Volgens mij snap jij de wereld niet. Je verdient geen brood met filosofie in een hutje op de hei. Misschien ben je niet alleen los van je “ik”, maar van de werkelijkheid.”
“Misschien,” zegt de opdrachtnemer rustig, “zou de wereld beter af zijn met meer mensen die zich juist even loswrikken van die werkelijkheid.”
De opdrachtgever staat op.
“We komen hier niet uit. Terug naar de orde van de dag. Hier is het contract. Alles uitgewerkt. We gaan de wereld veroveren. Je ideeën gaan de wereld veranderen. Dat wil je toch? Een wereld waar we leren loslaten? We doen het 50/50. Teken maar bij het kruisje. Linksonder.”
“Welke grote dingen heb je verstopt in de kleine lettertjes?” vraagt de opdrachtnemer argwanend.
De opdrachtgever staat woest op en begint te ijsberen. “Je wil mensen bevrijden, maar weigert je best te doen ze überhaupt te bereiken. Verdraaid slechte Messias, als je het mij vraagt”. De opdrachtnemer zakt weg in een rode fauteuil met gekrulde, goudgedecoreerde armleuningen. Hij volgt het gestreste gewandel met zijn ogen. Als een soort vertraagde EMDR. Hij onderdrukt een glimlach. De opdrachtgever verlengt een van zijn looplijnen en blijft onder een kroonluchter staan. Voor hem hangt een met goudomrande spiegel, die de halve lengte van de muur in beslag neemt. Hij trekt zijn jasje uit. Roze T-shirt. Spijkerbroek. Ketting: Gelukszoeker.
Hij kijkt via de spiegel indringend naar de opdrachtnemer. De opdrachtnemer staat op en loopt naar de spiegel. Hij stopt precies in de schoenen van de opdrachtgever. Daar kijkt hij zichzelf aan. Eén paar ogen. Twee stemmen. Uit zijn broekzak haalt hij een stift. Hij omlijnt zijn spiegelogen zwart. Daaronder kalkt hij:
Ik wil geen massaproductie
van proza of poëzie
volgens de juiste KPI’s
ik wil niet lopen binnen lijnen,
ik wil kunnen verdwijnen
Ik wil koste wat het kost
gewoon een beetje los
De lippen in de spiegel bewegen.
Briljant. Dat verkoopt zichzelf.
De deur valt dicht.



